facebook twitter Instagram Instagram
Volg ons:

Van jong tot oud

De Tielse Hockeyclub De Kromhouters (opgericht op 26 januari 1946) is al 70 jaar verankerd in de Betuwse samenleving. Het is een vereniging waar kinderen, ouders én grootouders hockeyen, waar recreatief hockey en prestatief hockey uitstekend samengaan. Een hockeyclub waar gezelligheid hoog in het vaandel staat, waar een ieder met plezier en trots op eigen niveau kan spelen.
Binding met de club, gezelligheid en kwaliteit zijn hierbij belangrijke peilers.

Clublied
Op naar de Zoelsche Brug marcheren
Om onze kelen weer te smeren.
Schenk hem nog eens vol;
Do, re, mi, fa, sol
En we drinken bier en we drinken bier
En we drinken Lucas Bols
Stut um nie om, stut um nie om, stut um nie om.

Toelichting op het clublied
In een vorig stuk, betreffende de barcommissie haalde ik het clublied van de Kromhouters aan met de vraag: wie kent het nog?? Blijkens de vele reacties zijn niet veel leden van het huidige ledenbestand bekend met dit fenomeen. Men was nieuwsgierig naar de tekst, de schrijver en de melodie (lastig, ik kan niet zingen op papier). Eerst maar even de tekst:

Op naar de Zoelsche Brug marcheren
Om onze kelen weer te smeren.
Schenk hem nog eens vol;
Do, re, mi, fa, sol
En we drinken bier en we drinken bier
En we drinken Lucas Bols
Stut um nie om, stut um nie om, stut um nie om.

De tekst is in zijn simpelheid toch gecompliceerder dan het op het eerste gezicht lijkt.
De eerste zin refereert naar het optrekken naar de vertrouwde omgeving, waarbij de Brug, geen brug is, maar een café dansant en model staat voor warmte, aanhankelijkheid en geborgenheid. En deze uitingen worden gezamenlijk ondergaan, de schrijver spreekt namelijk van "ons”.

De kelen smeren is natuurlijk een bekend gezegde. Alvorens te gaan zingen, want dat is de betekenis van de verwijzing naar de toonladder, dienen de stembanden op temperatuur te worden gebracht. Temperatuur staat voor warmte, warmte is wrijving, dus moet er iets langs de stembanden worden gewreven. Dat zoiets niet met staalwol kan, spreekt vanzelf. Drank is echter hiervoor het meest geëigende middel.

En, zeer leerzaam, het blijkt dat hiertoe meerdere soorten drank gebruikt kunnen worden. Bier wordt genoemd. Maar dat dit niet één, twee, drie gaat lukken, blijkt uit het feit, dat dit ritueel meerdere keren moet worden herhaald. De tekst spreekt niet alleen over bier maar ook over een sterkere variant, jenever. En niet zo maar een jenever, maar een drankje van de erven Lucas Bols. Of hier al sprake is van een vroege vorm van (sluik) reclame is onbekend. Dat geldt eveneens voor de vraag of met een ander soort jenever, zeg Bokma, hetzelfde resultaat zou worden bereikt.

Het "stut um nie om” staat voor vele zaken. Letterlijk staat het voor het kleine glaasje, waarin het kostelijke vocht (met kop erop) wordt geschonken. Denk maar aan het mopje "drinkt u veel; nee, het meeste gaat erover heen”. Figuurlijk slaat de tekst op het rotsvaste vertrouwen in het bestaan van de club, de saamhorigheid en de bereidheid gezamenlijk het hoofd te bieden tegen de gevaren van buiten. De tekst, in combinatie met de melodie, die ik dus helaas niet kan uitschrijven (ik ben geen musicus), heeft zowel iets uitdagends als dreigends; heb niet het lef het glaasje, ons clubgevoel, om te stoten. Waag het niet, want anders zijn de rapen nog niet gaar en is de rest nog niet jarig. Dat laatste staat weliswaar niet duidelijk in de tekst omschreven, maar ondergetekende kan uit de voorgaande zinnen niets anders concluderen en lezen. Kortom in feite bezingen we in ons clublied ons leven, het leven van de individuele Kromhouter.

De schrijver van het lied was of is onbekend. Zoals wel vaker in de literatuur wordt vermoed dat het vers door improvisatie en veelvuldig herhalen is ontstaan en geëvolueerd tot wat het nu is en dus eigenlijk ook weer was, want niet gekend. Dat laatste vindt zijn oorzaak in het feit, dat het lied niet meer wordt gezongen.

Een socioloog verklaarde, dat dit kwam omdat bij de leden niet meer de behoefte bestaat gezamenlijk het lidmaatschap te bevestigen. Deze vorm van communiceren vond veelvuldig plaats tijdens de middeleeuwen (minstrelen) en wordt nog wel gebezigd in bepaalde studentenverenigingen. Doordat het huidige ledenbestand nu een afspiegeling is van de normale maatschappij, dus niet meer alleen doctoren, tandartsen, notarissen, advocaten en directeuren, is men niet (meer) bekend met deze rituelen, want dat zijn het.   

Er circuleerde overigens ook nog een ander lied in de krochten van onze vereniging, met name in, daar zijn ze weer, Heren V.
Phil Klop en Harmen van Beusichem galmden veelvuldig de volgende woorden::

"Ik heb gaten in mijn kleren”
"Ik heb luizen op mijn pens”
‘Dat kan mij geenszins deren” (of zoiets, de juiste regel is mij onbekend)
Dilirium, dilirium,
Dilirium treméns.

Ook hier toch weer het beeld van de arme sloeber, de eenvoudige Kromhouter, die ondanks grote zorgen en een armoedig bestaan vreugde weet te vinden in de kleine geneugten des levens. Blij met niets eigenlijk, waarbij het uiteindelijke resultaat eigenlijk altijd weer vaststaat, want ondanks alles wordt hij toch weer mens (zie de laatste lettergreep van het lied).

Soms werd er nog een ander strijdlied aangeheven, maar veel verder dan "Hand in hand kameraden” – er was een tijd dat in het clubhuis een zeer sterk Ajax – Feyenoord kamp bestond -  en "Een beetje verliefd” van André Hazes, voor dat hij de lucht in werd geschoten, kwamen we niet.

Het clublied moet koste wat kost weer in ere worden hersteld!!
Al was het maar om op elkaar te toasten.
Potverdrie, toch weer die barcommissie.

Tableau
Eric Wonink